Grand Budapest Hotel
Grand Budapest Hotel (2014), met zijn malle structuur van een vertelling-in-een-vertelling-in-een-vertelling is niet zozeer een adaptatie van de verhalen van Stefan Zweig (ik kan er zo snel zelfs niet achterkomen op welk Zweig-verhaal het plot is gebaseerd), maar een 'ode' aan Zweig als verteller, of zelfs aan zijn taalgebruik.
Ondanks de schitterende mise-en-scene van de film (die zo betoverend is als we van Anderson gewend zijn), lijken de ironische formuleringen van de verteller en ingebedde verteller (die 'Zweig-achtig' klinken) vaak geestiger, raker dan de beelden.
Ondanks de schitterende mise-en-scene van de film (die zo betoverend is als we van Anderson gewend zijn), lijken de ironische formuleringen van de verteller en ingebedde verteller (die 'Zweig-achtig' klinken) vaak geestiger, raker dan de beelden.
Daarnaast is het taalgebruik in de dialoog van de personages, en met name van M. Gustave, soms zo fraai, elegant, en doordacht dat ze door geen enkele method-acteur met overtuiging uit te spreken is. Taal is hier geen 'expressie' van een individu. Het doet veel meer.
Ook is er een ironische spanning tussen het taalgebruik van Zero als jonge man, en de terugkijkende, oudere Zero.
Als jongeling is hij een man van weinig woorden, die op de verbositeit van M. Gustave steeds reageert met 'certainly' of 'me neither,' (als ware hij een van de gesprekspartners van Sokrates in Plato's Dialogen). Waar Gustave een Spreker, Dichter & Verleider is, lijkt Zero eerder een en al oog - en hij communiceert ook het liefste met Gustave via veelbetekenende blikken, of blikken van verstandhouding. M.a.w.: blikken die markeren dat er iets ongezegd blijft.
Hij onderbreekt M. Gustave's woorden ook regelmatig - bijvoorbeeld als hij het schilderij 'boy with apple' probeert op te roepen in een onhandige poging tot ekphrasis - met de vraag 'Can I See it?'
De oudere, terugkijkende, vertellende Zero is, is in de middelste van de drie geraamde vertellingen, uiterst eloquent.
Sterker, de toon van zijn vertelling lijkt verassend veel op zowel de toon waarop M. Gustave spreekt (bijvoorbeeld in het korte fragmentje waarop hij uit het raampje van het taartenbestelbusje kijkt naar het door de ZZ bezette GBH kijkt, en de situatie beschrijft als ware hij een derde ingebedde voice-over), als de toon va de schrijver zelf.
Hierdoor ontstaat een instabiliteit op het niveau van de voice-over die doorsijpelt naar het beeld.
Het lijkt of de woorden van de oudere Zero 'verwoord' zijn door de schrijver. Maar het zou ook kunnen dat de sprakeloosheid van de jonge Zero en de verbositeit van Gustave 'verwoord' zijn door de oudere Zero. Het zou kunnen dat Gustave een spreekbuis voor Zero is (zoals Sokrates dat was voor Plato), maar het zou ook kunnen dat de jonge Zero de stijl van spreken van de overleden Gustave heeft overgenomen.
Hierdoor lijkt de film, net als veel andere films van Anderson, de armoede van het fotografische beeld te tonen - of liever, de armoede van een zeker fotografisch realisme, en de daarbij horende psychologisch-realistische acteerstijl - af te zetten tegen de rijkdom van taal.
Een terugkerend motief in de film is het declameren van poezie op de meest onhandige momenten, zoals bijvoorbeeld in de scene waarin Gustave aan een klif hangt.
De oppositie tussen woorden, retoriek, poëzie (aan de ene kant) en 'realisme' aan de andere kant is - denk ik - verbonden met de centrale thematische problematiek van Anderson: hij is steeds geïnteresseerd hoe het niveau van het symbolische de 'werkelijkheid' vormt van zijn personages - en ook verhult. Deze symbolische constructie bestaat in Grand Budapest uit een reeks van etiketten die over de werkelijkheid heen geplakt zijn. Hierdoor blijft de 'traumatische' historische werkelijkheid (in dit geval, WW2) onzichtbaar.
We vangen het alleen op in de momenten waarop de stroom van beelden door het treinraampje stil komt te staan, en we remmen in een roggeveld. En daarin kijkt er iets terug naar ons.
In de etiquette van M Gustave zit niet alleen een nostalgie, of een verbeten vasthouden aan iets dat voorbij is, maar het is ook een bron van elegantie, en creativiteit. De moeite die hij neemt is excessief m.b.t. het doel dat gediend wordt - net als de taarten van de luxebanketbakker te kunstig zijn voor de twee-a-drie happen plezier die ze geven.
De vertellende Zero beschrijft M. Gustave in de volgende woorden: "To be frank, I think his world had vanished long before he ever entered it. But, I will say, he certainly sustained the illusion with a marvellous grace."
Dit 'ophouden van de illusie' is, volgens M. Gustave, de taak van het Grand Budapest Hotel. Het Hotel wil, zoals hij het regelmatig zegt een 'faint glimmer of civilization' zijn in 'this barbaric slaughterhouse that was once known as humanity.' Het hotel is daarmee niet alleen een vakantiebestemming, waarin je je terugtrekt uit het leven, maar ook een kuuroord, mausoleum, museum, overblijfsel van een vergane wereld (M. Gustave ziet zich niet voor niets met name geroepen op oudere dames een laatste troost van romantiek te bieden), een buffer tegen het veranderen van de tijd.
Het heeft daarmee dezelfde functie als de poezie, die M. Gustave immers ook vooral declameert als de werkelijkheid hem te dicht op de huid komt, en hij, bijvoorbeeld, nog slechts met een paar vingers aan een klif hangt.







Reacties
Een reactie posten