Grand Budapest Hotel
Grand Budapest Hotel (2014), met zijn malle structuur van een vertelling-in-een-vertelling-in-een-vertelling is niet zozeer een adaptatie van de verhalen van Stefan Zweig (ik kan er zo snel zelfs niet achterkomen op welk Zweig-verhaal het plot is gebaseerd), maar een 'ode' aan Zweig als verteller, of zelfs aan zijn taalgebruik . Ondanks de schitterende mise-en-scene van de film (die zo betoverend is als we van Anderson gewend zijn), lijken de ironische formuleringen van de verteller en ingebedde verteller (die 'Zweig-achtig' klinken) vaak geestiger, raker dan de beelden. Daarnaast is het taalgebruik in de dialoog van de personages, en met name van M. Gustave, soms zo fraai, elegant, en doordacht dat ze door geen enkele method-acteur met overtuiging uit te spreken is. Taal is hier geen 'expressie' van een individu. Het doet veel meer. Ook is er een ironische spanning tussen het taalgebruik van Zero als jonge man, en de terugkijkende, oudere...